Vroeger droomde ik wel eens dat ik miljonair was. In de ene droom gaf ik een deel van het geld weg aan vrienden en goede doelen en in de andere kocht ik een peperdure auto. Eén keer kocht ik een huis in Noorwegen om me daar toe te leggen op het creëren van muziek en literatuur. Alsof ik met geld ook opeens talent zou bezitten.

Hoe uiteenlopend ook, in elke droom zou ik niet meer hoeven werken voor mijn geld. Dat leek me vanzelfsprekend.

Maar is dat wel zo?

Hoeveel geld heb je eigenlijk nodig om niet meer te hoeven werken?

Er bestaat zoiets als de 4%-regel. Deze regel stelt dat je, gebaseerd op resultaten uit het verleden, elk jaar minimaal 4% rendement mag verwachten. Vaak is het meer, soms niet. Je kan dus elk jaar 4% van je belegde vermogen opnemen, zonder dat het totale vermogen slinkt. Dat zou betekenen dat je nooit meer hoeft te werken voor je geld, als je kan leven van 4% van je vermogen. Dat is de 4%-regel.

Anders gesteld: als je 25x je jaarlijkse uitgaven bij elkaar hebt gespaard, ben je financieel onafhankelijk.

Stel dat je per jaar 20.000 uitgeeft, dan heb je aan € 500.000 genoeg om nooit meer te hoeven werken.

De 4%-regel is een extreme versimpeling van de werkelijkheid. Zo gaat deze er bijvoorbeeld van uit dat je uitgavepatroon nooit veranderd. Alsof mijn kinderen niet veel duurder worden, naarmate ze ouder worden. Alsof ik nooit mijn hypotheek afbetaal. Alsof ik nooit toch dat inspiratiehuisje in Noorwegen koop.

Maar toch, vijf ton. Het is een bedrag.

Het is veel geld. Maar het is geen miljoen.

Maar dan komt nu de grap.

Ik wil helemaal niet stoppen met werken.

Ik vind mijn werk leuk. Ik weet niet wat ik de hele dag zou moeten doen zonder mijn werk.

Goed, minder werken zou wel leuk zijn. Laten we zeggen de helft minder.

Als ik dat zou willen en ik geef ongeveer € 20.000 per jaar uit, dan heb ik € 250.000 nodig. Nog steeds niet weinig geld. Maar het klinkt ook niet volstrekt onmogelijk.

Tegenwoordig droom ik niet meer over geld. Ik werk aan die € 250.000.